juf Veronique
 
(Advertentie voor leraar of ouder)
Leren klokkijken?
Werkbladen printen of online oefenen met Klokrekenen.nl.
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)

Wandelen en op zoek naar kleuren: Dat kan de ene keer geel zijn, maar ook rood of blauw. Voordat ze gaan wandelen schrijven ze op hoeveel dingen ze in die kleur denken te gaan zien. Tijdens de wandeling worden foto’s gemaakt van de voorwerpen. Deze zet ik bij elkaar en dan gaan we tellen….hoeveel voorwerpen hebben we uiteindelijk gezien? Was dat meer of minder dan we hadden gedacht? Voor groep 3: schrijf op wat je hebt gezien.

  • Loop een lentebingo. Ik heb speciaal voor gezinnen bingokaarten gemaakt met lentevoorwerpen. Zoek deze voorwerpen op. Kun je ze allemaal vinden?
    Lentebingo
Leren klokkijken?
Werkbladen printen of online oefenen met Klokrekenen.nl.
(Advertentie voor leraar of ouder)
(Advertentie voor leraar of ouder)
  • Hindernisrace; Leg allerlei dingen op het tuinpad waar het kind over, onder en tussendoor moet: bijvoorbeeld een hoepel. een kinderfietsje, blokken, een tafel, skeelers, etc. Het eerste stuk rennen ze bijvoorbeeld naar de tafel, ga daar onderdoor, stap op het fietsje en rijd tussen de blokken door, pak dan de skeelers en rijd om een struik heen, pak de hoepel en kruip daar door heen, ren dan weer terug.
  • Berenjacht; Ken je de berenjacht al? Er is een Facebookgroep we gaan op berenjacht NL met allemaal informatie. Voor onze leerlingen heb ik het als volgt gedaan. Ik heb ouders van de school gevraagd via Facebook om een beer voor het raam te zetten en hun adres door te geven. Hierop kwamen heel veel reacties. We hebben er een paar dagen voor uitgetrokken zodat je niet allemaal tegelijk de straat op gaat en we hebben ook de regels van het RIVM erbij vermeld. De kinderen gaan de straat op met hun eigen ouder en gaan op zoek naar de beren. Ik heb ze de lijst met de straten gegeven zodat iedereen voor zichzelf een route kan maken. Leuke link naar het verhaal is: Verhaal we gaan op berenjacht
    – Opzoekkaarten berenjacht
    – Berenbingokaart
    – Kleurplaat beren
    – Kleurplaat beer
  • Leg je naam; Zoek allemaal takken van verschillend formaat. Maak nu je naam van deze takken.
  • Wie gooit raak? Zoek zes voorwerpen buiten op en zet ze op verschillende afstand van elkaar; van dichtbij tot ver. De eerste is 5 punten, de volgende 10, daarna 15 en zo verder. Pak daarna een bal of een kussen. Gooi naar het voorwerp toe. Hoeveel punten heb je? Groep 3 kan de punten misschien optellen.

Verven met water; Zet een pot met water neer en een grote kwast. Verf met water op de stoep, de muur, een bankje. Je kunt kiezen voor letters maar ook getallen en

  • Knikkeren; Graaf een kuiltje in de tuin of ergens waar zand ligt. Dat wordt het knikkerpotje. Zoek steentjes op en zet een streep ongeveer 1,5 meter voor het knikkerpotje. Gooi vanaf de streep de steentjes richting het knikkerpotje. Hoeveel zijn er raak? Hoeveel zijn er mis? Welke ligt het dichtste bij en welke veraf? 
  • Zak in de wind; Er zijn van die winderige dagen. Pak een plastic zak en doe hier een touwtje aan. Ook kun je de zak tussen je handen houden als deze wat groter is. Laat hem niet los vliegen want er is al genoeg afvalplastic in de natuur. Hou de zak in de wind en probeer de wind te vangen.
  • Vliegtuigje vouwen; Vouw een vliegtuigje. Neem deze mee naar buiten. Hoe ver komt dit vliegtuigje? Zet daar een voorwerp neer. Gooi daarna je vliegtuigje en kijk of het klopt! Is het dichterbij, even ver of verder terecht gekomen.
  • Verzamelwoede; Ga naar buiten met een doos. Verzamel allemaal voorwerpen: grasspriet, takje, steentje, mos, blaadje, bloem, schors, etc. Neem ze mee naar binnen en verstop ze onder een kleed. Voel met je handen onder het kleed: wat voel je? Haal het er onder uit en kijk of het klopt. Groep 3 kinderen voelen eerst en schrijven dan op wat ze denken dat het is. Daarna kijk je of het klopt.
  • Bowlen met pet-flessen; Verzamel een aantal petflessen en doe hier een laagje water in. Gebruik een bal. Zet ze naast elkaar neer en probeer daarna de flessen om te gooien. Hoeveel flessen kun je omgooien? Voor groep 3 kinderen kun je er cijfers op schrijven. Tel de getallen op; hoeveel punten heb je?

Speel het eierverstopspel; Maak 10 eieren (of meer) van papier en schrijf hier de getallen 1-10 op. Knip de eieren uit en verstop ze in de tuin. Dan mogen de kinderen daarna de eieren opzoeken. Leg ze op de goede volgorde. Welke mist nog?

  • Rangtelwoorden oefenen; Rangtelwoorden zijn de woorden; eerste, tweede, derde, etc. Pak een snoepje of een tomaatje. Pak bekers, kopjes of feesthoedjes en leg onder een van deze voorwerpen het snoepje. Daarna mag je raden onder het hoeveelste voorwerp het ligt. Is het goed? Dan mag je het opeten.
  • Tellen met een ballon Overgooien; Pak een ballon en blaas deze op. Hoe vaak kun je de ballon naar elkaar toe slaan? Hij mag niet vallen hoor! Heb je geen ballon, pak dan een bal en gooi over. Ben je alleen, stuit de bal dan op de grond, hoe vaak kun je dit?
  • Bekers stapelenWe gaan bekers stapelen. Heb je 10 bekers thuis? Het liefst van papier of plastic. Zet er vier onderaan, drie erop, twee daar op en tot slot de laatste bovenop. Laat het kind de ogen dicht doen. Pak een paar bekers weg en verstop deze bijvoorbeeld onder je trui. Nu mag het kind raden: hoeveel bekers zijn weg?
  • Getallen springenWe gaan getallen springen! Hoe? Spring voor de tientallen ver weg. Voor de eenheden, doe je stapjes. Bedenk een getal: b.v. 22. Doe daarvoor twee grote sprongen en daarna twee stapjes. Laat iemand raden en draai het dan om.
  • Turven;  Neem een vel papier en een potlood mee naar buiten. Ga naar een straat waar auto’s rijden of mensen lopen. Zet voor iedereen of elke auto die je ziet een streepje rechtop en de vijfde erdoorheen. Ga zo 10 minuten tellen hoeveel je ziet en turf dit.
  • Turven vervolgGa in huis op zoek naar voorwerpen en leg hier steeds turfbeelden mee. Hoeveel heb je gevonden?
        
  • Springen van de getallenrij; Schrijf de getallenrij met stoepkrijt op zover je dat kan. Spring eroverheen en noem hardop op welk getal je staat. Gooi dan met een steentje of propje op een getal, Deze moet je nu overslaan. Noem weer de getallen hardop behalve deze. Gooi nog een keer, deze komt er ook bij…. hier mag je dus ook niet op staan. Hoever kom je?
  • Getallenrij variant; Staat de getallenrij er nog? Pak twee vaatdoeken of zakdoeken en laat die door iemand op een getal leggen. Niet kijken….. daarna probeer je te raden op welk getal het doekje ligt.
  • Getalbeelden op een dobbelsteenHet is voor kinderen goed om te leren om in een oogopslag te zien hoeveel stippen er op een dobbelsteen staan in plaats van elke keer te tellen. Gooi met een dobbelsteen en zoek evenveel voorwerpen op. Doe dit net zo vaak tot je alle kanten van de dobbelsteen hebt gehad.

Opdracht voor de dag en de datum. Elke dag is er een nieuwe datum. Ik bedenk daar elke dag opdrachten bij. Bij voorkeur buiten. Bijvoorbeeld: Het is 18 maart; spring 18 keer naar achteren, schrijf dit getal op de stoep, ren 18 keer heen en weer door de tuin, stuit 18 keer met de bal op de grond, maak sprongen van twee tot de 18: 2-4-6-8-10-12-14-16-18 en drink tot slot 18 slokjes water. Hier kun je natuurlijk volop mee variëren!

WEERWOLVEN nodig: beschrijving rollen, rolverdeling, spelregels tijdsduur: 30 minuten De uitsmijter is niet voor niets het favoriete spel van leerkrachten en leerlingen. En je kunt het ook nog online spelen! Wees zelf de verteller of wijs een leerling als verteller aan. Wijs vooraf alle rollen toe aan de kinderen. Ken je het spel nog niet? Hier vind je de spelomschrijving en rollen. Je kunt het spel HIER kopen

Kunstenmakers nodig: pen, kleurpotloden of stiften, papier tijdsduur: 30 minuten Verstuur vooraf vier kunstwerken naar vier leerlingen (meer of minder kan natuurlijk ook). Zij laten deze kunstwerken niet zien aan de rest van de groep. De kinderen beschrijven in maximaal drie minuten tijd om de beurt het kunstwerk. De rest tekent. Laat een paar kinderen het getekende kunstwerk in beeld delen en onthul daarna het origineel.

RAADSELS & mysteries nodig: verzameling raadsels en mysteries Kinderen zijn gek op raadsels en mysteries. Verzamel de leukste raadsels via deze link. Of vraag de kinderen zelf een raadsel te bedenken en te delen! Spanning is verzekerd met de ‘White en Black Stories’. De witte versie is voor kinderen vanaf 7-8 jaar geschikt, de zwarte versie is bedoeld voor kinderen vanaf 13 jaar. Op de kaartjes is een mysterie omschreven en de kinderen ontrafelen dit. Je kunt de kaartensets bestellen via deze link.

. ESCAPE ROOM Maak groepjes van drie tot vier kinderen en zet de kinderen met elkaar in een digitale Escaperoom. Op jouw scherm zet je in beeld een timer klaar. Welk groepje ontsnapt als eerste uit de digitale Escaperoom? Hier vind je verschillende Escaperooms, gemaakt door meester Henk.

 DIGITAle SPEURTOCHT nodig: klaarzetten links en vragen, pen en papier Zet een digitale speurtocht uit. Selecteer van tevoren kindvriendelijke sites zoals www.wikikids.nl en www.hetklokhuis.nl. Zet de links en vragen klaar. Op de websites kunnen de kinderen bijvoorbeeld woorden vinden die samen een zin vormen. Wie heeft als eerste de bij elkaar gepuzzelde zin gevonden? 

bingo nodig: bingokaarten Speel bingo met de hele groep. Dat kan met getallen, maar je kunt ook een liedjes- of spreekwoordenbingo maken. Of de getallen in een voorleesverhaal verwerken. Kant en klare verhalen en bingokaarten vind je via deze link. Je kunt de kinderen natuurlijk ook zelf een eenvoudige bingokaart laten maken. 

30 seconds nodig: vijf begrippen per kind tijdsduur: 30 minuten Stuur elk kind van tevoren een kaartje met vijf begrippen (die kunnen ook mooi aansluiten bij een thema) en vorm teams van drie of vier kinderen. Om de beurt omschrijft een teamlid in 30 seconden de vijf begrippen. Welk team raadt de meeste begrippen? 

ren je rot Een lekker actief spel, dat door Kim Kolenberg werd gedeeld. De kinderen krijgen van jou opdrachten. Voorbeelden: • Pak zo snel mogelijk je tandenborstel en laat deze voor de camera zien. • Verzamel drie rode dingen. • Loop de trap op en af en zing ondertussen 1,2,3,4 hoedje van papier. Tip van Kim: speel ook een Engelse variant  

PETJE OP, PETJE AF nodig: petje of (papieren) hoedje Het principe van het ‘Petje op petje af’ spel is simpel. Petje op is antwoord A, Petje af is antwoord B. Je kunt dit niet alleen met quizvragen doen, maar ook met dilemma’s (https://dilemmaopdinsdag.nl/) of vragen die een sociaal-emotionele lading hebben. 

HET GELUIDENSPEL nodig: pen, papier, voorwerp tijdsduur: 30-45 minuten Om de beurt maken de kinderen (buiten beeld of camera uit) een geluid met een huis-, tuin- en keukenvoorwerp. Voorbeelden: het perforeren van papier, een elektrische tandenborstel, het roeren met een lepeltje in een beker. Iedereen schrijft de namen van de klasgenoten op en het geluid dat ze gehoord denken te hebben. Wie raadt de meeste

 

  • Bouwen en tekenen; Vandaag ga je een bouwwerk maken. Je mag kiezen uit: lego, blokjes, duplo of iets anders dat je in huis hebt. Bedenk eerst wat je gaat maken. Ga dan aan de slag. Is het klaar? Teken het bouwwerk dan eens na. 
  • Spiegelen; We gaan spiegelen met elkaar en met spullen. Hoe we dat gaan doen? Je hebt hiervoor allerlei voorwerpen nodig die je in je huis kunt vinden. Leg iets in het midden dat een streep voor kan stellen bijvoorbeeld een springtouw of een bezemsteel. Ga nu aan de ene kant iets neerleggen en doet datzelfde aan de andere kant. Ga zo steeds verder.

  • Maak een reeks; Maak een prachtig patroon of reeks door steeds te herhalen; bijvoorbeeld; twee vorken, een lepel, twee vorken, een lepel.
  • Vliegen met het vliegtuig; Vouw een vliegtuigje van een a4 papier. Denk goed na hoe ver dit vliegtuigje gaat komen. Zet daar iets neer. Ga dan gooien en probeer of het gaat lukken! Heb je ver gegooid of juist dichtbij?
  • Schoenenopdrachten voor thuis; Download schoenenopdrachten

 

  • Op speurtocht in huisZoek samen spullen in huis en leg die neer van groot-klein, dik-dun, hoog-laag. 
  • Meten in huis; Geef je kind een meetlint en geef hem/haar opdrachtjes om dingen te meten in huis. Wat is langer/korter? Hoe weet je dat? Wat is het langste voorwerp dat je kunt vinden? Wat is het kortste voorwerp?
  • Meten in je slaapkamer1. Hoeveel stapjes is je slaapkamer? 2. Hoe vaak pas jij liggend in je slaapkamer? 3. Hoeveel handen is je slaapkamer lang?
    4. Hoeveel voeten is je bed? 5. Hoeveel handen is je bed? 6. Hoe vaak pas jij in bed?
  • Anderhalve meter; Zo ver moet je afstand houden….maar hoe ver is dat eigenlijk? Ga thuis aan de slag met een meetlint. Laat eens zien of 1,5 meter langer is dan jullie zijn, kun je sokken in de wasmand gooien vanaf 1,5 m? Maak eens een slinger van 1,5 m en kun je 1,5 meter hoog springen? Of anders ver?
  • Knikkeren; Graaf een kuiltje in de tuin of ergens waar zand ligt. Dat wordt het knikkerpotje. Zoek steentjes op en zet een streep ongeveer 1,5 meter voor het knikkerpotje. Gooi vanaf de streep de steentjes richting het knikkerpotje. Hoeveel zijn er raak? Hoeveel zijn er mis? Welke ligt het dichtste bij en welke veraf?
  • 1 minuut; Wat kun je allemaal doen in een minuut? Een uur heeft 60 minuten en een minuut heeft 60 tellen. Dat lijkt misschien lang maar dat kan ook tegenvallen. Laat iemand de tijd bijhouden. Spring op en neer tot de minuut voorbij is; dan is een minuut best lang, toch? Loop nu naar buiten, ren een rondje om je huis of om het blok en kom weer terug….. ben je op tijd? Nu is een minuut juist weer kort! Kun jij je naam schrijven in een minuut? Bedenk zelf iets dat je in een minuut kan doen en kijk of dat lukt.
(Advertentie voor leraar of ouder)
Diploma's en oorkondes maken
Maak online een tafeldiploma, veterdiploma, een certificaat, een uitnodiging, etc.
(Advertentie voor leraar of ouder)

 

  • Ren je rot en zoek evenveelDownload getallenkaartjes. Een leuk spel met lekker veel beweging. Download de kaartjes en hou deze bij de hand als je met een groepje aan de gang gaat. Vertel de kinderen het volgende. Ze moeten luisteren naar het voorwerp en kijken naar het cijfer. Je noemt het voorwerp b.v. bekers en laat het getal 5 zien. De kinderen rennen weg en zoeken ieder in hun eigen huis naar 5 bekers. Dat kun je doen met pennen, stiften, onderbroeken, vorken, lepels, poppen, legosteentjes, etc.
  • Buurgetallen; Gebruik dezelfde getallenkaartjes als hierboven en flits met de vingers door steeds één meer en één minder terug te flitsen
  • Schoenenspel; Download schoenenopdrachten. Lees elke keer de opdrachten voor aan de kleuters zodat ze deze zelf in de buurt kunnen doen
  • Flitsen met de vingers; Gebruik de getallenkaartjes t/m 10 om deze omhoog te houden en de kinderen dan te vragen om met hun vingers te laten zien hoeveel het is.
  • Welke letter hoor je? Noem een letter en laat het groepje in huis op zoek gaan naar een voorwerp dat begint met die letter
  • Het geluidenspel; Maak een paar geluiden en laat de kinderen tekenen of wat oudere kinderen schrijven wat ze horen. Denk aan deze geluiden: klappen, stampen, fluiten, iets inschenken, papier scheuren, stapeltje blokjes laten vallen, hap van een appel nemen, knippen, tikken van een klok, kraan laten lopen, etc
  • Muts op/muts af; Vraag de kinderen een muts klaar te leggen. Voor dit spel geef je zinnen door aan de kinderen en zij doen hun muts op als de zin goed is en af als de zin fout is. Het leuke is om zinnen te bedenken waar meerdere antwoorden goed zijn: het is vakantie, je tekent met een puntenslijper, het is buiten koud, ik ben blij dat ik thuis werk, in de koelkast staat de thee, ik lust graag soep, mijn vriend heet Klaas, ik ga nu naar bed, mijn muts is lekker warm

 

  • Poppenkast spelenPak je knuffels en/of poppen tevoorschijn. Bedenk eens een leuk verhaal over deze dieren/poppen. Ga nu achter de bank, een tafel, of kastje zitten en speel poppenkast met deze knuffels en poppen.
     
  • Beschrijven; Het is voor de taalontwikkeling heel goed als kinderen goed kunnen verwoorden wat ze zien. Daarvoor gaan we het volgende spel doen. Zoek, als ouder of als broer/zus een voorwerp in de kamer, buiten of slaapkamer. Zeg niet wat het is. Ga nu het voorwerp beschrijven. Bijvoorbeeld: het is rood, er staan letters op en het heeft vier wielen. Het kind gaat naar dat voorwerp toe en als het klopt mag het dat voorwerp pakken en voor zich neerleggen. Dan draaien we het om. Dan heeft het kind een voorwerp in zijn hoofd, die hij/zij beschrijft. Kan de ander nu raden wat het is? Wie heeft uiteindelijk de meeste voorwerpen geraden?

 

  • Lees een prentboek voor. Laat het kind luisteren en na het verhaal navertellen wat er allemaal gebeurd is. Lukt dit nog niet? Laat dan eerst de platen zien en dan erbij laten vertellen.
  • Lees een prentenboek voor en laat het kind een tekening maken dat past bij het boek

Alfabetisch principe

  • Letters slaan; Maak een (groot) blad met de letters die uw kind kent. U noemt een letter en uw kind mag de letter slaan met de hand.
  • Verzamelen bij de letters; Schrijf alle letters op die je kent op verschillende briefjes of met stoepkrijt. Zoek nu voorwerpen in huis bij alle beginletters. Kun je ze allemaal vinden?

  • Letters schilderen; Welke letters ken je? Neem een pot met water en een kwast en schrijf de letters buiten op, misschien kun je ook woorden maken?
  • Letter van de week; Bedenk elke week een nieuwe letter en zoek hier allemaal voorwerpen bij. Ga ook iets doen dat met die letter begint.
  • Woordslinger makenOefen met de eerste en laatste letter van woorden. Begin met een woord: stoel, de laatste letter is een l, daar moet het volgende woord weer mee beginnen: lief, nu is de laatste letter een f en daar begint het volgende woord weer mee: fijn…. Zo ga je verder. Hoe lang wordt de woordslang?
  • Maak je naam;  Maak je naam van allemaal voorwerpen die je buiten vindt.
  • Samengestelde woorden; We gaan vandaag samengestelde woorden bedenken. Weet je wat dat zijn? Bijvoorbeeld: suiker en klont is samen een suikerklont. Thee en een zak is samen een theezak. een wc en een papier is samen wc papier. Probeer zo eens voorwerpen bij elkaar te zoeken die samen een woord vormen
  • Rijmen; Pak een voorwerp en zoek iets in huis dat op dat voorwerp rijmt. Bijvoorbeeld een boek rijmt op doek, een pan rijmt op kan. Zet de voorwerpen naast elkaar. Hoeveel heb je gevonden?
  • Tegenstellingen; Ga tegenover je kind (eren) staan. Je doet iets als ouder en de kinderen doen precies het tegenovergestelde: Laat ze eerst zelf bedenken wat ze moeten doen; Ga zitten – kinderen staan,  doe je armen omhoog – kinderen doen dit omlaag, tik zacht op de grond – kinderen stampen hard op de grond, doe je ogen dicht -kinderen doen de ogen open, roep heel hard – kinderen praten zacht, spring dichtbij – kinderen springen ver, doe je mond dicht – kinderen doen de mond open

    Lees de zin voor en laat uw kind het antwoord op de puntjes invullen. Het goede antwoord staat tussen haakjes.
    – Het konijntje rent niet langzaam, maar…     (snel)
    – Het pad in het bos is niet breed, maar…     (smal)
    – De vacht van de poes is niet hard, maar…    (zacht)
    – Een bij is niet groot, maar…       (klein)
    – Ik heb niet veel eitjes gevonden, maar…     (weinig)
    – Het hek is niet hoog, maar…      (laag)
    – Is gras is niet nat, maar…       (droog)
    – Een varken is niet dun, maar…      (dik)
    – Mijn haar is niet kort, maar…      (lang)
    – Het glas limonade is niet vol, maar…     (leeg)
    – Als de zon schijnt is het niet koud, maar…    (warm)
    – Het geitje loopt niet onder het hok, maar…    (boven)
    – Als ik een cadeautje krijg ben ik niet boos, maar…   (blij)
    – De staart van het paard is niet wit, maar…    (zwart)